Heeft u een klant met een oudedagsverplichting (ODV) in zijn BV? Dan kan het voor de klant interessant zijn om deze af te storten in een bancaire lijfrente. Met een lijfrente heeft de klant namelijk meer keuzevrijheid en flexibiliteit over het moment en de duur van de uitkeringen. Zo is het bij een lijfrente mogelijk om de uitkeringen eerder of later te laten ingaan en in een kortere of langere looptijd uit te keren dan bij een ODV. In deze blog leest u hoe dat zit.
Een directeur-grootaandeelhouder (DGA) mocht in het verleden pensioen in eigen beheer, dus in zijn eigen BV, opbouwen. Sinds 1 juli 2017 is het niet meer toegestaan om pensioen in eigen beheer verder op te bouwen.
Een DGA die pensioen in eigen beheer had opgebouwd, kon in de periode van 1 april 2017 tot en met 31 december 2019 kiezen uit de volgende mogelijkheden:
1. Het pensioen in eigen beheer continueren, maar zonder verdere opbouw (artikel 38n Wet LB 1964).
2. Afkopen van het pensioen in eigen beheer tegen de fiscale waarde, verminderd met een korting (artikel 38o Wet LB 1964 oud).
3. Omzetten van het pensioen in eigen beheer in een ODV (artikel 38p Wet LB 1964).
Veel DGA’s hebben voor die laatste mogelijkheid van omzetting in een ODV gekozen. De ODV staat als verplichting op de balans van de BV. Jaarlijks wordt de waarde van de ODV verhoogd met het U-rendement van het voorgaande jaar (artikel 38p, eerste lid, Wet LB 1964). Uiterlijk twee maanden nadat de DGA zijn AOW-leeftijd heeft bereikt, moet de ODV starten met uitkeren (artikel 38p, tweede lid, sub a, onderdeel 1, Wet LB 1964). De vaste looptijd bedraagt dan twintig jaar (artikel 38p, tweede lid, Wet LB 1964). Het is ook mogelijk om de ODV-uitkeringen eerder te starten, maar niet eerder dan vijf jaar vóór het bereiken van de AOW-leeftijd (artikel 38p, tweede lid, sub a, onderdeel 1, Wet LB 1964). In dat geval moet de looptijd van twintig jaar worden verlengd met het aantal jaren tussen de eerste uitkering en de AOW-leeftijd (artikel 38p, tweede lid, sub a, onderdeel 2, Wet LB 1964).
Een ODV wordt fiscaal onzuiver als niet aan de voorwaarden wordt voldaan, zoals de uiterste ingangsdatum en vaste looptijd. Het gevolg is dan dat de waarde van de ODV ineens wordt belast met inkomstenbelasting en ook 20% revisierente moet worden betaald (artikel 38p, vierde lid, Wet LB 1964).
Het is fiscaal toegestaan om een ODV af te storten in een bancaire lijfrente. Hierbij kan een ODV geheel of gedeeltelijk worden afgestort (artikel 38p, eerste lid, Wet LB 1964). Maatwerk is dus mogelijk.
Een ODV die al aan het uitkeren is, kan ook worden afgestort in een lijfrente (artikel 38p, vijfde lid, Wet LB 1964). Er gelden dan wel aanvullende voorwaarden, zoals opgenomen in onderdeel 2.3 van het Verzamelbesluit pensioenen. Zo is het dan alleen toegestaan om de gehele ODV af te storten (dus gedeeltelijk afstorten is niet meer mogelijk) en moet je vooraf een verzoek bij de Belastingdienst indienen. Heeft de BV van de klant te weinig vermogen (onderdekking) om de ODV helemaal af te storten? En is dit tekort ontstaan door reële ondernemings- of beleggingsverliezen? Dan is het in overleg met de Belastingdienst mogelijk om alle nog aanwezige bezittingen af te storten als lijfrente. Het resterende deel van de ODV wordt aangemerkt als niet voor verwezenlijking vatbaar. Als extra voorwaarde geldt wel dat de BV daarna geliquideerd moet worden.
Het afstorten van een ODV kan interessant voor de klant zijn, omdat een lijfrente meer keuzevrijheid en flexibiliteit over het moment en de duur van de uitkeringen biedt dan een ODV. Mogelijke voordelen van een bancaire lijfrente ten opzichte van een ODV zijn:
Met een lijfrente heeft uw klant dus meer keuze om het moment en de duur van de uitkeringen aan te passen aan de persoonlijke situatie. Ook is het mogelijk om meerdere lijfrenten combineren, zodat de klant na het bereiken van de AOW-leeftijd bijvoorbeeld in de eerste jaren een hogere uitkering krijgt en in de latere jaren een lagere uitkering. Een lijfrente biedt in dat kader dus meer flexibiliteit dan een ODV.
Na het afstorten van een ODV in een lijfrente kan de klant bijvoorbeeld ook overwegen om zijn BV op te heffen, afhankelijk van wat er in de BV zit. Dat scheelt administratieve lasten en maakt de fiscale situatie eenvoudiger.
Naast het afstorten van een ODV in een bancaire lijfrente is het ook mogelijk om af te storten in een verzekeringslijfrente. Het voordeel van de bancaire lijfrente is dat als de klant komt te overlijden het geld in de bancaire lijfrente vererft naar de erfgenamen (of legatarissen). Bij een verzekeringslijfrente kan het zijn dat het resterende bedrag dan toekomt aan de verzekeraar.
Wil de klant meer uit de ODV halen? Dan kan het interessant zijn om die ODV om te zetten in een bancaire lijfrente, zoals de Lijfrente-uitkering van Evi Persoonlijk Pensioen. De Evi vermogenscoaches kunnen u en uw klant begeleiden bij elke stap. Van Lanschot Kempen en Evi geven geen fiscaal advies.
Deze tekst is geschreven naar de stand van zaken op 17 september 2026.
Disclaimer
Deze bijdrage is bedoeld als algemene informatie en vormt geen fiscaal, juridisch of financieel advies. Aan de inhoud kunnen geen rechten worden ontleend.
Veel oude lijfrentepolissen lopen al jaren ongewijzigd door, terwijl wetgeving, kostenstructuren en beleggingsmogelijkheden sterk zijn veranderd. In dit artikel legt Danny Kuik uit waarom een vrijblijvende second opinion waardevol kan zijn en wanneer het zinvol is om een bestaande polis opnieuw te beoordelen.
Op Prinsjesdag presenteerde het kabinet het Belastingplan 2027. Voor DGA’s blijven veel tarieven gelijk, maar er zijn wel belangrijke aandachtspunten rond box 2, excessief lenen en vastgoed. We zetten de vijf belangrijkste punten overzichtelijk voor u op een rij.
Chris Zegers over Prinsjesdag, veranderende fiscale spelregels en de kansen die ontstaan wanneer accountants, fiscalisten, planners en vermogensspecialisten hun kennis bundelen.